Ontwerpschets

Blauwdruk TT1.docx

In de ontwerpschets worden de visie, leerdoelen en leeractiviteiten besproken.

Visie

Mensen hebben verschillende ideeën over het leven. Iedere inwoner van Nederland is een burger. Als burger heb je in Nederland veel vrijheid. Veel mensen vinden heel belangrijk om in vrijheid te leven. De vrijheid wordt op verschillende manieren geïnterpreteerd. Sommige mensen vinden dat vrijheid is om te zeggen wat je wilt. Voor andere betekent de vrijheid onafhankelijk van andere mensen kunnen leven. Voor veel mensen betekent de vrijheid dat je tijd zelf kan indelen en plannen. Alle deze opvattingen sluiten goed aan bij de definitie van vrijheid. Vrijheid betekend dat je zelf kunt beslissen wat je wel en wat je niet doet. Iedereen is vrij om eigen vrienden te kiezen, op welke politieke partij die wilt stemmen en welke opleiding volgen.

Leven in vrijheid biedt veel mogelijkheden, maar betekent ook dat je voortdurend keuzes moet maken. Daarom is erg belangrijk dat de leerlingen burgerschapsonderwijs krijgen.

Burgerschap is de manier waarop inwoners deel hebben en deelnemen aan de maatschappij en die zo helpen vormgeven. Burgerschap komt tot uiting op verschillende gebieden: Op het politieke vlak, op het sociale vlak, op het culturele vlak, op het economische vlak.

Het doel is om actief burgerschap te stimuleren. Dit is de bereidheid om een actieve bijdrage te leveren aan de samenleving. Sinds 1 februari 2006 hebben scholen voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs de opdracht om het 'actief burgerschap en de sociale integratie' van leerlingen te bevorderen. 

In de sociologie maakt men onderscheid tussen vier dimensies van burgerschap:

  1. De rechtspositie: het recht om toegelaten te worden tot een land en de plicht om je aan de wetten van het land te houden en belasting te betalen.
  2. De rechten: de burgerrechten. Bijvoorbeeld vrijheid van godsdienst, vrijheid van meningsuiting, stemrecht, recht op onderwijs, recht op een uitkering, enz.
  3. De participatie: actief meedoen aan de maatschappij. Bijvoorbeeld door te werken, onderwijs te volgen of het bezoeken van culturele activiteiten.
  4. De identiteit: solidair en loyaal zijn aan het land. Als iemand afstamt van een familie die generaties lang in een land woont, dan deelt hij een stuk geschiedenis, hij spreekt de taal en kent de heersende normen en waarden.

Voor de vakken natuurkunde en techniek komt burgerschapsvorming niet terug in kerndoelen en eindtermen. Binnen onze scholen wordt burgerschapsvorming gestimuleerd door het vak maatschappijleer te geven. Hier speelt levensbeschouwing ook een grote rol.

Wij willen de kritische denkvaardigheden en de handelingsbekwaamheid van leerlingen stimuleren. Dit is nodig om hen te betrekken bij actuele, maatschappelijke vraagstukken. Door de technologisering zijn deze vraagstukken vaak sterk verbonden met technologie. Om mee te kunnen blijven praten, denken en beslissen over de problemen is het daarom van belang dat ze kennis ontwikkelen van technologie. Kennis van technologie om oplossingen voor vraagstukken te creëren. Diezelfde kennis kan gebruikt worden in de discussie waarin leerlingen groepsgewijs beslissingen nemen over welke oplossing de meest optimale is. Anderzijds is de kennis nodig om ons bewust te maken van de consequenties die deze technologische innovaties kunnen hebben. Met burgerschapsonderwijs nodigen we leerlingen uit kritisch mee te denken over maatschappelijk-technologische vraagstukken en stellen we hen in staat hun eigen mening te vormen.

We zullen ons inzetten om wereldburgerschap bij de leerlingen te stimuleren, een betrokken houding die mensen hebben met betrekking tot elkaar.

Een wereldburger is met de wereld verbonden en voelt zich betrokken, heeft het gevoel van morele verplichting om nakomelingen een goede toekomst te bieden. Daarbij blijft het niet alleen bij begrip en respect, er wordt ook iets mee gedaan. Men doorziet dat menselijk gedrag gevolgen heeft voor mensen, dieren en milieu. Wereldburgers weten dat ze verantwoordelijk zijn voor de toekomst en dat problemen samen opgelost moeten worden. 'Een wereldburger heeft niet alleen begrip en gevoel voor de wereld, hij doet er ook iets mee (Kleur Bekennen, 2005).´

'Duurzaamheid' is de vertaling van 'sustainability' ( 'sustenare': op- of omhooghouden), hetgeen betekent dat iets tot in lengte van dagen kan voortduren. Duurzaamheid is een idee dat voortkomt uit het inzicht dat 'het zo niet langer kan voortduren', dat het wereldwijde proces waarin technologie, kapitaalgroei, productie en consumptie elkaar aan- en opjagen niet langdurig gedragen kan worden door de inherente beperkingen van de aarde en dus wezenlijk onduurzaam is. Duurzaamheid suggereert óók een perspectief waarbinnen naar oplossingen kan worden gezocht (Derkse, 1995: 6).

Duurzame ontwikkeling is een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder de behoeften van toekomstige generaties, zowel in Nederland als in andere delen van de wereld, in gevaar te brengen, aldus de definitie van de VN-commissie Brundtland uit 1987.

Duurzame ontwikkeling gaat over de samenhang tussen people (sociaal), planet (ecologie) en profit of prosperity (economie) en is daarmee disciplineoverstijgend en zeer breed van toepassing.

Vanuit de methode NOVA en Wij en techniek die wij op onze scholen gebruiken voor natuurkunde en techniek wordt duurzaamheid niet expliciet behandeld.  In de kerndoelen 30 en 31 voor onderbouw VO komt het voor als: een onderzoekende houding ten opzichte van de natuur, herkennen van samenhangen en wisselwerkingen, verbinden van theorieën en modellen met praktisch werk en waarneming, bevorderen van duurzaamheid.

Binnen onze scholen is er een duurzaamheidsbewustwording gaande. Op het dak van het gebouw liggen zonnepanelen, de koffie bekers worden gerecycled en de energie om het gebouw te verwarmen komt uit de bodem. In het curriculum krijgt duurzaamheid geen extra aandacht. Op dit moment wordt nagedacht over de invulling hiervan.  

Als docenten en burgers, vinden we zowel goed burgerschap als duurzame ontwikkeling belangrijke thema's die niet los van elkaar staan. Als participerende burgers nemen we actief deel aan maatschappelijke discussies, maken we gebruik van ons stemrecht en zetten ons in voor de medemens.     

Willem we op dit moment als wereldbevolking toekomstige generaties ook een leefbare aarde nalaten, dan zullen we ons mondiaal op een duurzame wijze moeten ontwikkelen. Hierbij moet een balans zijn tussen mens, natuur en economie zodat toekomstige generaties in welvaart gebruik kunnen maken van onze aarde, zonder dat andere mensen hierdoor benadeeld worden (Wolf & Smit, 2018, pp. 24-25).  

Bij elke opdracht staan wij stil bij het gebruik van de materialen en gereedschappen. Als zagen ook met de hand kan, dan gebruiken we niet de elektrische zaag. Materialen worden eerst afgetekend en gecontroleerd voordat er gezaagd wordt. Naast het bewust gebruik van materialen en energie willen we de leerlingen ook leren om problemen eerst zelf te proberen op te lossen. Iets gaat kapot en in plaats van nieuw kopen kijken of het nog te herstellen is, door jezelf of iemand anders. Gebruik maken van elkaars expertise. Je hoeft niet alles nieuw te hebben. Kijk naar wat je minimaal nodig hebt en neem daar ook genoegen mee. Hiermee willen circulair spullen gebruiken, stimuleren.

De belangrijkste taak aan ons docenten, is om lesstof zoveel mogelijk te koppelen aan deze onderwerpen. Bijvoorbeeld gaat de les over energiegebruik dan moeten de leerlingen aan de hand van een productvergelijking tussen een LED-lamp en een halogeenlamp bepalen welke lamp het meest energiezuinig is.  

Wij zijn van menig dat het best mogelijk is om samen te werken met verschillende bètavakken. Er zitten veel overkoepelingsthema's bij deze vakken. Denk aan de wiskunde bij natuurkunde, de natuurkundige eigenschappen bij techniek en de scheikunde en natuurkunde vakken worden zelfs in de onderbouw al samen gegeven. Er zijn echter wel een paar belangrijke punten waar je rekening mee moet houden als je gaat samenwerken met verschillende vakken. Zo is het bijvoorbeeld voor een goede samenwerking belangrijk dat een docent zijn vakdidactische kennis goed onder de knie heeft. Volgens Tuithof (2017) is dit pas op zijn hoogtepunt na 6 tot 7 jaar. Daarnaast kost het ook veel tijd waar beginnende docenten dit nog veel meer nodig zijn voor hun eigen lessen. Ook al zit je lang in het vak zal het toch nog veel energie en tijd vragen waar werkgevers rekening mee zullen houden. Daarbij moet ook rekening gehouden worden dat de ontwikkelingstijd er niet alleen in het begin in zit maar ook in het verdere stadium nog, denk aan evalueren (Smit, 2018). Hier kan het PCK-model aan gekoppeld worden, zie afbeelding 1.  Op het moment dat al deze doelen duidelijk zijn voor alle docenten en de docenten dit ook goed onder de knie hebben zal de samenwerking een stuk soepeler verlopen en heeft het meer kans op slagen. Volgens het onderzoek naar PCK blijkt de rol van doelen en overtuigingen en het ontwikkelen van PCK veel belangrijker is dan gedacht (Tuithof et al., 2017) 

Een duidelijk doel is dus heel belangrijk bij een goede samenwerking. Voor iedereen moet het helder en nuttig zijn daarnaast moet iedereen daar ook de gelegenheid toe hebben (van Bergen et al., 2015). 

Daarnaast zijn er nog veel verschillende manieren van samenwerken. Zo kan je samenwerken wat themagericht is maar ook pedagogisch (belevingswereld), vakoverschrijdend of organisatorisch gericht (Tuithof et al., 2017). Daarbij kun je ook nog nadenken of het een structurele samenwerking is of een eenmalig project. Daarbij is het belangrijk dat wel alle mono vakken vertegenwoordigd zijn. Wij staan meer achter een eenmalig project omdat de gelegenheid, tijd en motivatie er niet altijd is voor een structurele samenwerking. Hierin speelt voornamelijk de tijd een belangrijke rol. Daarnaast vinden we dat iedereen zijn eigen vak heeft. De samenwerking tussen verschillende vakken is goed maar het moet nog wel duidelijk zijn wat elk vak inhoudt. Daarnaast vinden wij het belangrijk dat iedereen boven zijn eigen vak staat en daar zijn/haar kennis over deelt. Een techniek docent weet niet alles van natuurkunde en andersom. Wij zouden daarom niet transdisciplinair samenwerken. Dit betekend dat je vanuit een andere discipline gaat denken (Huibers et al., 2012, p. 16). Wij zijn meer voorstander van het samenwerken om multi- en interdisciplinair samenwerken. Dit betekend van uit je eigen vak en expertise of dat je elkaar wel nodig hebt om een probleem op te lossen maar niet in een ander discipline gaat denken (Huibers et al., 2012, p. 16). 

Dus kort samengevat. Wij vinden samenwerking tussen verschillende vakken een goed idee. Echter moet wel iedereen boven zijn eigen vak blijven staan. Het is goed als de overkoepelende thema's gezien worden maar het moet nog wel duidelijk zijn wat elk vak inhoudt. Daarnaast is het belangrijk dat er duidelijke doelen zijn, iedereen genoeg vakdidactische vaardigheden heeft en er genoeg tijd voor is.

Leerdoelen

Ons doel is om er voor te zorgen dat de leerlingen aan het eind van de lessenserie weten wat circulair bouwen is en waarom het belangrijk is om dit te gaan toepassen. Dit is nog best wel een groot begrip dus hebben we aan de hand van de 7 circulaire vaardigheden ons doel concreter gemaakt.

De 7 circulaire vaardigheden zijn:

* demonteren​

* circulariteit herkennen en waarderen​

* waarde hechten aan materialen​

* kennismaken met grondstoffen-marktplaats​

* materialenpaspoort opstellen​

* werken met biobased materialen​

* hoogwaardig hergebruik van de materialen​

* remontabel bouwen

Dit zijn nog steeds best veel vaardigheden wat niet haalbaar is om te doen in 3 lessen waar je ook een escaperoom gaat bouwen. We hebben de 7 circulaire vaardigheden terug gebracht tot de volgende 4 vaardigheden.

* demonteren en remontabel bouwen
* circulariteit herkennen en waarderen
* materialenpaspoort opstellen
* hoogwaardig hergebruik van de materialen

Aan de hand van deze vaardigheden hebben we de volgende leerdoelen opgesteld:

    Aan het einde van deze lessenserie kun je:

    • benoemen wat de voordelen van circulair bouwen zijn.
    • uitleggen wat circulair bouwen is.
    • 3 voorbeelden geven van hoogwaardig hergebruik van materialen.
    • zelf een materialen paspoort maken.
    • een voorbeeld geven van demontabel bouwen.
    • een escaperoom / game maken.

Leerinhoud

Wat leren de leerlingen gedurende de les?


Kennis

Leerlingen weten het nut en de noodzaak van circulair bouwen en weten van de volgende onderdelen van circulair bouwen aangeven wat ze inhouden:

-remontabel bouwen;

-hoogwaardig hergebruik van grondstoffen en producten.

De opgedane theoretische kennis kunnen ze omzetten naar vaardigheden tijdens het maken van het project.

Verder kunnen ze aangeven wat dit voor onze toekomst gaat betekenen en wat hun rol daarin zal zijn/worden.

Vaardigheden

Leerlingen beheersen na de lessenserie de volgende Circulair Skills, wat ze moeten aantonen door het bouwen van een escaperoom/game:
-demonteren;

-circulariteit herkennen en waarderen;

-waarde hechten aan materialen;

-materialenpaspoort opstellen;

-remontabel bouwen.

Houding
De leerling:

-moet wijs en verstandig zijn. Hij moet vragen stellen, bronnen delen met anderen.

-moet kunnen denken, hij beantwoordt vragen, stelt vragen en verzamelt informatie. Hij plaatst vraagtekens bij het vanzelfsprekende.

-moet open-minded zijn, de leerling moet luisteren naar andermans ideeën. Is nieuwsgierig en verwonderd zich.

-moet behulpzaam zijn, anderen helpen, ideeën delen.

-moet een risico aandurven gaan, neemt deel aan klassendiscussies, gaat op zoek naar informatie, vraagt zaken na.

-moet willen reflecteren, hij moet processen evalueren en daarbij verbeter- en aanknopingspunten vastleggen. Kan zijn processen/producten presenteren.

Leeractiviteiten/toetsing

We gaan op verschillende manieren de kennis bij de leerlingen toetsen. Als eerste zullen we beginnen met een introductievorm waarin we de leerlingen vragen wat ze al weten van duurzaamheid en circulair bouwen. Daarnaast zullen we de leerlingen vragen hoe ze denken dat Nederland ervoor staat. Wat er gebeurt om op deze manier door leven. Hoe het ideale beeld er uit ziet enzovoort. Dit is dus meer een soort van voorkennis ophalen, kijken wat de beginsituatie is en een discussie op gang brengen.

Na wat theoretische uitleg, hoe we dat gaan uitvoeren moet nog bepaald worden, zullen we een quizizz uitvoeren. Dit doen we om te kijken of ze de stof hebben begrepen en of iedereen goed is mee gekomen. Daarnaast is het ook een leuk werkvorm om tussendoor te doen.

De leerlingen zullen natuurlijk ook een escaperoom gaan bouwen. Om dit te doen hebben ze ook kennis nodig over de stof. We zullen langs de groepjes gaan om ze te helpen waar nodig, kijken hoe ze ervoor staan en natuurlijk feedback te geven. Dit is dus een moment waarin we leerlingen kunnen aanspreken op hoe goed ze bezig zijn of te motiveren om aan de slag te gaan. Ze zullen hierin bijvoorbeeld ook een materialenpaspoort maken van hun escaperoom om die vaardigheid te oefenen en te controleren.

Aan het einde van de lessenserie zullen we de leerlingen vragen een formulier in te vullen zoals hiernaast is afgebeeld. Dit laten we de leerlingen in vullen om te kijken wat ze nou hebben opgestoken van de lessenserie en het belangrijkste voor ons wat nemen ze mee van deze les. Gaan ze iets veranderen in hun gedrag? De generatie leerlingen aan wie wij de les zullen geven zouden uiteindelijk met circulair bouwen moeten gaan werken. We hopen door deze les al een stukje bewustzijn te kweken en te zorgen voor al een stap in de goede richting.